VOETBAL OP ZATERDAG

VOETBAL OP ZATERDAG

Ads 1

Content

Bert Kous is verslaggever van het sportprogramma 'Namen en Rugnummers' van de regionale omroep RTV Utrecht,, zowel voor radio als tv.

De ster van SDC Putten

 

Bert Kous
Verslaggever bij RTV Utrecht en Fox Sports

 

Voetbaljournalisten zijn mislukte voetballers. Tja, het is een stereotiep waar je maar moeilijk van af komt. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, hoewel, is een analist een journalist? Ik ben in elk geval geen uitzondering. Ik heb gevoetbald, of liever, ik heb op voetballen gezeten. Zoals veel van u wel weten op SDC Putten. Ik was acht toen ik lid werd. En och wat was ik trots. Het blauw-en-wit stond me geweldig. En als één ding duidelijk was, was het wel dat we hier met een vedette-in-spé te maken hadden. Na de zomervakantie ging ik het bewijzen.

 

Maandenlang had ik me voorbereid. Meestal op het veldje, achter. Maar als het regende, en dat deed het dat voorjaar veelvuldig, vond de training tot grote ergernis van mijn moeder meestal indoor plaats. In de gang van drie meter bij tachtig centimeter van onze jaren zestig doorzonwoning, om precies te zijn.
Op het plein was ik Cruijffie. Wie niet in die jaren. En ik schitterde. Ik liet de bal uit de meest onmogelijke hoeken op de meest onmogelijke plaatsen belanden. Al trainend was ik er van overtuigd dat het lidmaatschap van SDC een kortstondig karakter zou hebben.

 

Ik stelde me voor hoe de transfermarkt er uit zou zien. Hoe ik met mijn trainer in een kraam zou staan. En hoe dan de trainer van Ajax voor het stalletje halt zou houden, om na enig aarzelen op mij te wijzen. 'Die wil ik, wat moet-ie kosten?'
Van mijn vader hoorde ik dat die dingen niet zo gingen. Dat de trainer van Ajax bij ons thuis zou aanbellen om te vragen of ik lid zou willen worden van zijn club. En dat we dan eerst aan mijn trainer moesten vragen of dat goed was.
Hoe het ook zij, hoe de transfermarkt er ook uit mocht zien, dat ik er zou belanden stond voor mij als een paal boven water. Want ik had voor mijn achtste verjaardag het prachtige blauwe shirt met bijbehorende witte broek van onze club cadeau gekregen. En voetbalschoenen natuurlijk. Met noppen. In die outfit kon ik onmogelijk falen.

 

De zomer kroop voorbij. Begin augustus kreeg ik een brief van de club dat ik in de 'B3' zat. Pupillen! De uitleg van mijn vader dat bijna niemand direct in Het Eerste kwam, kinderen zeker niet, kon mijn verontwaardiging nauwelijks temperen.
Gelukkig kreeg ik al gauw de kans het ongelijk van de keuzeheren aan te tonen. Tijdens de eerste training met mijn teamgenoten stak ik er ver bovenuit. Mijn medespelers keken hun ogen uit bij het zien van mijn balbehandeling. Alleen mijn passeerbewegingen lukten nog niet zo goed als bij de paaltjes op het oefenveldje achter ons huis.
Mijn vader legde nog maar eens uit dat de meeste voetballers nooit in Het Eerste kwamen. Dat het anders was dan op school, dat je niet ieder jaar overging naar het volgende elftal, als je maar je best deed. Maar dat alleen de heel goede spelers Het Eerste haalden.

 

De eerste echte wedstrijd was tegen de 'B2', jongens van onze eigen club, die al een jaar op voetbal zaten. Ik moest linksback. Prompt werd Krol mijn grote favoriet. Ik droeg, als enige, het shirt uit de broek, en wees met mijn linkerhand dat het een aard had. Maar ik was een roepende in de woestijn, we verloren met 9-0.
Na afloop wist ik het zeker. Ik moest zo snel mogelijk uit de 'B3', want voor dat team was ik veel te goed. In mijn eentje kon ik, ondanks mijn onmiskenbaar aanwezige kwaliteiten, het elftal onmogelijk dragen. De trainer van de 'B2' lachte vriendelijk toen ik hem vertelde dat het voor iedereen beter zou zijn als ik in zijn ploeg kwam spelen: "Ik wil eerst nog een paar wedstrijden van je zien, dan kijken we verder.'
Hoofdschuddend over zoveel domheid zocht ik mijn vader op. Hij had me immers ook gezien. Hij zou de trainer van de 'B2' wel kunnen overtuigen. Mijn vader had inderdaad een onomwonden oordeel over mijn debuut: 'Dat wordt nooit wat met jou, jongen.'

 

De hele weg achter op de fiets kon ik geen woord uitbrengen. Wílde ik geen woord uitbrengen. Niet tegen die verrader, die mij ten overstaan van iedereen op de club had gekleineerd. Tranen brandden achter mijn ogen, toen mijn moeder vroeg hoe het gegaan was. Ik zei niets. In de spiegel zag ik hem mismoedig het hoofd schudden.
Op weg naar mijn kamertje kwam de drift. Stampvoetend ging ik de trap op. Snikkend beet ik in mijn kussen, want niemand mocht mijn verdriet horen. Over het verraad van de man die verondersteld werd mij, zijn enige zoon nota bene, te steunen. Die dag haatte ik mijn vader zo intens, dat ik wilde dat hij dood was.

 

Hoewel ik mij er in de loop van de tijd bij neerlegde dat mijn vader gelijk had, en Het Eerste voor mij inderdaad geen haalbare kaart was, kwam de woede nog één keer terug. Als vijftienjarige scoorde ik in de altijd beladen derby tegen SDV Barneveld drie keer. We wonnen met 5-3. Mijn vader kwam allang niet meer elke week naar mijn wedstrijden kijken, maar ik ontwaarde hem bij de tribune van het hoofdveld, waar hij in afwachting was van een belangrijke wedstrijd van Het Eerste. 'Pa, je raadt het nooit', lachte ik hem toe. 'Ik heb er vanmiddag drie gemaakt!' Pas toen een teamgenoot mijn woorden bevestigde, verdween de ongelovige blik uit zijn ogen.

 

Toch was ik nog een keer dicht bij een debuut in Het Eerste. Inmiddels senior, ik speelde in het achtste, was ik op de parkeerplaats van het sportpark getuige van enige paniek bij de hoofdtrainer. Hij had voor een oefenwedstrijd de beschikking over slechts twaalf spelers, waaronder twee doelmannen. Mijn neef, die wel in Het Eerste speelde, zag me staan. 'Ga mee man, je mag allicht tien minuten meedoen!' Ik keek om en zag mijn eigen team staan. Klaar voor vertrek naar onze eigen oefenwedstrijd. Met precies elf man.

 

Ik heb Het Eerste nooit gehaald. En het heeft me geen pijn gedaan. De dood van mijn vader, 20 jaar na mijn debuut als voetballer, des te meer.


 Hits  3959 

Footer

©Stichting Voetbal op ZaterdagRSSTwitterDisclaimer & cookiebeleidColofonAdverteren

Ads 2